Verblijf in Nederland: veelgestelde vragen (3)

Ik ondersteun een slachtoffer dat niet in staat is om aangifte te doen; welke regelingen zijn voor dit slachtoffer van belang?

Slachtoffers met de Nederlandse nationaliteit en slachtoffers die rechtmatig in Nederland verblijven (EU-burgers in het bezit van een geldig identiteitsbewijs of reisdocument, en vreemdelingen met een tijdelijke of permanente verblijfsvergunning), hebben ongeacht of zij aangifte doen recht op opvang. Zowel in de Wmo, de Jeugdwet en de Wwb/Participatiewet en deels in de Huisvestingswet worden personen met rechtmatig verblijf in rechten gelijk gesteld aan Nederlanders. Op welke specifieke opvangvoorzieningen zij aanspraak kunnen maken, verschilt. Daarover vindt u hier meer informatie.

Voor slachtoffers met een EU verblijfsrecht geldt dat voor opvang de eerste vijf jaar van verblijf een ontheffing van de IND nodig is om hier gebruik van te maken, aangezien dit consequenties kan hebben voor het verblijfsrecht (De IND kan de rechtmatigheid van het verblijf beƫindigen wanneer EU-burgers te vroeg te veel aanspraak maken op publieke middelen). Deze ontheffing kan verkregen worden als om veiligheids- cq gezondheidsredenen aangifte doen niet mogelijk is met een verklaring van politie en/of een medische verklaring.

Slachtoffers zonder verblijfsstatus (meestal afkomstig van buiten de EU) die vanwege serieuze dreiging of medische en/of psychische problemen geen medewerking aan het strafrechtelijk onderzoek kunnen verlenen, kunnen op grond van artikel 3.48, lid 1, onder d, van het Vreemdelingenbesluit 2000 ook aanspraak maken op de verblijfsregeling mensenhandel, mits dit ondersteund wordt door een verklaring van de politie en/of een medische verklaring.

Slachtoffers die niet in staat zijn aangifte te doen kunnen na afloop van de verblijfsvergunning op grond van artikel 3.51, eerste lid aanhef en onder h van het Vreemdelingenbesluit ook een aanvraag indienen voor een verblijfsvergunning op niet-tijdelijke humanitaire gronden. Slachtoffers komen hiervoor in aanmerking als zij kunnen aantonen dat de dreiging nog altijd voortduurt (met een verklaring van de politie) of dat er nog steeds sprake is van een fysieke of psychische aandoening die het verlenen van medewerking aan het strafproces in de weg staat.